Commercial
|
RB Prinsjesdagspecial 2011
Het tarief van de overdrachtsbelasting is voor de verkrijgingen van woningen met ingang van 15 juni 2011 verlaagd van 6% naar 2%. Deze maatregel, die gedeeltelijk wordt gefinancierd uit het vitaliteitspakket en gedeeltelijk uit de invoering van een bankenbelasting, vervalt per 1 juli 2012.
Voor (ex-)werknemers die na ontslag hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten, geldt momenteel een fiscale regeling waardoor voor een periode van maximaal 3 jaar na ontslag ook voor deze vrijwillige opbouw van pensioen een faciliëring geldt. De maximale looptijd wordt verruimd van 3 naar 10 jaar na ontslag. Deze wijziging wordt in het eindejaarsbesluit van het ministerie van Financiën aangebracht. Ter dekking van de verlenging van de maximumtermijn van de fiscale faciliteit voor vrijwillige voortzetting wordt het maximum van de jaarlijkse dotatie aan de fiscale oudedagsreserve verlaagd met € 2.500 tot € 9.382.
Bepaalde varianten van de afdrachtvermindering onderwijs worden voortaan ook toegekend aan inhoudingsplichtigen die een persoon in dienst nemen die elders in de EU of in de EER een opleiding volgt die vergelijkbaar is met de Nederlandse voor de afdrachtvermindering onderwijs kwalificerende opleiding. Het gaat om de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), beroepsopleidende leerweg (bol) en werkend-leren op hbo-niveau.
De werkingssfeer van de teruggaafregeling in de dividendbelasting wordt uitgebreid met bij ministeriële regeling aan te wijzen derdelanden waarmee afdoende informatie-uitwisseling bestaat op grond van een bilaterale of multilaterale overeenkomst. Deze uitbreiding van de teruggaafregeling geldt alleen voor portfolio-investeringen.
GEEFWET
In de Geefwet is het volgende pakket aan fiscale maatregelen voorgesteld:
De uitoefening van commerciële activiteiten staat in beginsel niet in de weg aan het verkrijgen of behouden van de ANBI-status. Er komt een beleidsbesluit waarin een ruimhartiger beleid wordt voorgeschreven met betrekking tot commerciële activiteiten van ANBI's. Vereist blijft wel dat de instelling (nagenoeg) uitsluitend het algemeen nut moet beogen.
De giftenaftrek in de Vpb wijzigt als volgt:
De voorwaarden voor aftrekbaarheid van de vrijwilligersvergoedingen worden wettelijk vastgelegd.
De kring van instellingen waarvoor de vrijwilligersregeling geldt, wordt verruimd voor de vrijwilligers van een ANBI die een vergoeding ontvangen van maximaal € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar en die niet in dienstbetrekking zijn bij die ANBI. Hierdoor kunnen ook ANBI's die wel aan de Vpb zijn onderworpen voor hun vrijwilligers gebruik maken van de faciliteit. ANBI's die niet Vpb-plichtig zijn of vrijgesteld zijn, kwamen al in aanmerking voor de faciliteit. Bij giften die bestaan uit het afzien van een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten, geldt dat sprake moet zijn van kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, zoals reiskosten. Ook als de vrijwilliger geen vergoedingsregeling heeft getroffen met de ANBI kunnen dergelijke daadwerkelijk gemaakte kosten in aftrek worden gebracht. Bij het afzien van een vergoeding voor autokosten per auto (anders dan per taxi) wordt een gift in aanmerking genomen tot € 0,19 per kilometer. Er is een anticumulatieregeling opgenomen waardoor het bedrag van de aftrek van de werkelijke kosten moet worden verminderd met de forfaitaire kostenvergoeding.
Er komt een negatieve persoonsgebonden aftrekpost voor giften die onder een ontbindende voorwaarde worden gedaan en na verloop van tijd worden herroepen of ontbonden. In het jaar dat de gever de gift herroept, moet hij het eerder in aftrek gebrachte bedrag (inclusief de daarbij eventueel toegepaste opslag: zie punt 8 hierna) tot zijn inkomen uit werk en woning rekenen.
WET TOEPASSING DWANGSOMREGELING TOESLAGEN
Het wetsvoorstel Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen regelt het moment en de wijze waarop de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing wordt op beschikkingen die betrekking hebben op inkomensafhankelijke regelingen waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen (Wet op de zorgtoeslag, Wet op de huurtoeslag, Wet kinderopvang en regelingen kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de Wet op het kindgebonden budget). De procedureregels die gelden voor de Belastingdienst/Toeslagen bij de uitvoering van het toeslagenproces zijn vastgelegd in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Omdat de Awb van toepassing is op de Awir geldt de dwangsomregeling in beginsel ook voor beschikkingen op aanvraag van de Belastingdienst/Toeslagen. Op grond van de dwangsomregeling verbeurt een bestuursorgaan een dwangsom als het niet binnen de geldende wettelijke termijn beslist op een verzoek van een belanghebbende om een beschikking. Die dwangsom loopt op van € 20 per dag tot € 40 per dag dat het bestuursorgaan te laat is met het geven van een beschikking. Het maximumbedrag is € 1.260. Bij de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet-tijdig beslissen is onderkend dat sommige wettelijke beslistermijnen mogelijk niet reëel zijn en zouden moeten worden aangepast. Deze beoordeling heeft destijds niet plaatsgevonden voor de beslistermijnen die gelden voor de Belastingdienst/Toeslagen. De dwangsomregeling zou aanvankelijk voor het eerst gaan gelden voor beschikkingen met betrekking tot het jaar 2012.
In verband met mogelijke problemen met het nieuwe toeslagensysteem en de daarmee samenhangende financiële risico’s stelt het kabinet voor om de dwangsomregeling van toepassing te laten worden op beschikkingen die betrekking hebben op het berekeningsjaar 2013 en later. Daarnaast stelt het kabinet voor om de dwangsomregeling niet te laten gelden voor beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van het definitief toekennen van toeslagen. De definitieve toekenning is volgens het kabinet niets anders dan een eindafrekening. Op alle voorafgaande stappen waarbij de burger actief een aanspraak maakt en een beschikking krijgt met materiële consequenties blijft de dwangsomregeling van toepassing. Tot slot stelt het kabinet voor om het mogelijk te maken de dwangsomregeling tijdelijk of gedeeltelijk buiten werking te stellen om grote financiële risico's te voorkomen in het geval zich incidenten voordoen in de vorm van verstoringen in het uitvoeringsproces. Het aan de Tweede Kamer aangeboden Fiscaal pakket 2012 bestaat uit de volgende vijf wetsvoorstellen: (I) Belastingplan 2012, (II) Overige Fiscale Maatregelen 2012, (III) Wet uitwerking Autobrief, (IV) Geefwet en (V) Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen. De wetsvoorstellen zullen (tenzij anders is aangegeven) per 1 januari 2012 in werking treden mits ongewijzigd aangenomen door Tweede en Eerste Kamer.
BELASTINGPLAN 2012
Het totaal aantal belastingen wordt teruggebracht van 22 naar 15. Per 1 januari 2012 zullen de afvalstoffenbelasting en de grondwaterbelasting worden afgeschaft. Per 1 januari 2013 zullen worden afgeschaft: de belasting op pruim- en snuiftabak, de belasting op alcoholvrije dranken, de belasting op leidingwater, de verpakkingenbelasting en het Eurovignet.
Met ingang van 1 januari 2012 worden binnen de vennootschapsbelasting (Vpb) de volgende maatregelen ingevoerd:
Er komt een renteaftrekbeperking voor overnameholdings die met groeps- of bankleningen een onderneming overnemen en daarmee vervolgens een fiscale eenheid (f.e.) vormen. De rente over overnameschulden is voortaan slechts aftrekbaar tot het bedrag van de winst van de f.e. verminderd met het aandeel daarin van de geheel of gedeeltelijk met een schuld gefinancierde overgenomen maatschappij en vermeerderd met de rente over de overnameschulden. Daarbij worden de geheel of gedeeltelijk met vreemd vermogen gefinancierde overnames van het jaar zelf en van eerdere jaren samen genomen. Een negatief aandeel van de met een schuld gefinancierde overgenomen maatschappijen verhoogt de maximaal aftrekbare rente. De aftrekbeperking geldt voor schulden die verband houden met de verwerving van een middellijk of onmiddellijk belang in een lichaam, zolang dat lichaam deel uitmaakt van een f.e. met de overnemer. Het gaat om schulden die voortvloeien uit een overeenkomst van geldlening of een andere overeenkomst die daarmee in economische zin te vergelijken is zoals finance lease of huurkoop. De overnameholdingmaatregel geldt ook voor derdenrente. Renteloze leningen blijven buiten beschouwing. Bij de aftrekbeperking wordt een bedrag van € 1 mln ongemoeid gelaten en blijft de aftrek in stand voorzover de f.e. na de overname niet bovenmatig met vreemd vermogen is gefinancierd. Van een te veel aan vreemd vermogen is sprake voorzover de schulden van de f.e. gemiddeld meer bedragen dan twee maal het eigen vermogen. De maatregel tegen overnameholdingconstructies heeft een eerbiedigende werking voor bestaande situaties. De overnamerente wordt in aftrek beperkt als het overnames betreft die op of na 1 januari 2012 plaatsvinden.
Er komt in de Wet Vpb een nieuwe regeling voor buitenlandse ondernemingswinsten die bestaat uit drie elementen: (1) een objectvrijstelling voor (actieve) buitenlandse ondernemingswinsten, (2) een regeling voor laagbelaste buitenlandse beleggingsondernemingen en (3) een regeling voor de aftrek van per saldo geleden verliezen als een belastingplichtige ophoudt winst uit een andere Staat te genieten. De hele regeling wordt opgenomen in de Wet Vpb, waardoor het deel van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 dat betrekking heeft op de Vpb grotendeels vervalt, net als de regeling in de Wet Vpb die betrekking heeft op de omzetting van een vaste inrichting (v.i.) in een deelneming. Door invoering van een objectvrijstelling wordt de fiscale behandeling van buitenlandse v.i.'s meer gelijkgetrokken met de behandeling van deelnemingen. Bij de objectvrijstelling worden zowel de positieve als de negatieve resultaten van de buitenlandse v.i. uit de wereldwinst geëlimineerd. Hierbij is niet van belang of de voordelen in het land van de v.i. in de belastingheffing worden betrokken. De onderworpenheidseis voor de voorkoming van dubbele belasting met betrekking tot winsten van actieve v.i.'s vervalt. Verliezen van buitenlandse v.i.'s die definitief zijn bij staking van de activiteiten of overdracht ervan aan een derde worden wél in aftrek toegelaten. Net als bij de deelnemingsvrijstelling komt er een regeling om constructies via laagbelastende landen tegen te gaan. De regeling houdt in dat voor voordelen uit zogenoemde passieve v.i.'s in laagbelastende landen de objectvrijstelling niet geldt. In plaats daarvan wordt voor positieve voordelen verrekening gegeven. Negatieve voordelen worden beperkt in aanmerking genomen.
In verband met het Europese recht wordt de buitenlandse belastingplicht aangepast van in het buitenland gevestigde lichamen die naar buitenlands recht zijn opgericht en vergelijkbaar zijn met naar Nederlands recht opgerichte verenigingen of stichtingen of die een kerkgenootschap zijn. Deze buitenlandse lichamen worden voortaan alleen in de Vpb betrokken voorzover zij een onderneming drijven.
De buitenlandse aanmerkelijk-belangregeling (a.b.-regeling) wordt aangepast, omdat wordt getwijfeld over de verenigbaarheid ervan met het EU-recht. Het kabinet wil de buitenlandse a.b.-regeling niet geheel afschaffen, maar heeft gerichte anti-misbruikbepalingen getroffen. Daartoe wordt aan de buitenlandse a.b.-regeling de aanvullende voorwaarde toegevoegd dat het a.b. door het buitenlandse lichaam moet worden gehouden met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen het ontgaan van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting bij een ander. Daarnaast wordt een anti-misbruikmaatregel in de Wet dividendbelasting voorgesteld op grond waarvan een coöperatie, die (in)direct aandelen houdt om de heffing van Nederlandse dividendbelasting of buitenlandse belasting bij een ander te ontgaan, inhoudingsplichtig wordt voor de dividendbelasting.
De omschrijving in artikel 12, lid 1, van de Wet Vpb van lichamen die gebruik kunnen maken van de bestedingsreserve wordt zodanig gewijzigd dat daaronder lichamen vallen die zijn aangemerkt als culturele instelling als bedoeld in artikel 2, lid 3, onderdeel n, van de AWR of kleine organisaties (stichtingen of verenigingen) op het terrein van sport, spel en hobby's. Voor deze kleine organisaties geldt als eis dat het gaat om niet-commercieel gerichte organisaties, hetgeen tot uitdrukking is gebracht in de voorwaarde dat de winst hoofdzakelijk moet worden behaald met behulp van vrijwilligers. Verder is de term herbestedingsreserve vervangen door bestedingsreserve. Herbesteden impliceert een vervanging, terwijl de toepassing van de reserve ruimer is, omdat die ook kan worden gebruikt voor nieuwe investeringen en projecten die binnen de onderneming worden aangewend. Hieronder vallen niet aan derden ter beschikking gestelde onroerende zaken. De termijn van reserveren wordt verruimd van drie naar vijf jaar.
Er komt een Research & Development aftrek (RDA). De RDA behelst een nieuwe generieke fiscale faciliteit die tot doel heeft de directe kosten van R&D, niet zijnde loonkosten (die al worden gefacilieerd via de S&O-afdrachtvermindering), te verlagen. De RDA is op dit moment nog niet uitgewerkt, maar wordt later via een nota van wijziging in het Belastingplan 2012 opgenomen. Vanaf 2013 is een structureel budget van € 100 mln beschikbaar voor een RDA+, een kenniswerkersmobiliteitsregeling en een mogelijke verhoging van de S&O-afdrachtvermindering. De RDA+ bestaat uit een extra aftrekpost in de Vpb voor de bijdrage van bedrijven aan privaat-publieke topinstituten (PTI's) op het gebied van innovatie.
De zelfstandigenaftrek die nu acht schijven heeft, wordt omgezet in een vaste basisaftrek van € 7.280. Dit bedrag wordt niet geïndexeerd. In dit kader werd aangekondigd dat de regering een verkenning gaat doen naar de invoering van een winstbox.
De fiscale kindregelingen worden als volgt aangepast:
Op grond van het vitaliteitspakket verdwijnen de arbeidskorting voor ouderen, de doorwerkbonus, de spaarloonregeling en de levensloopregeling. Daarvoor in de plaats komen een werkbonus en een mogelijkheid tot vitaliteitssparen.
Belastingplichtigen van 57 jaar en ouder die arbeidsinkomen genieten, hebben vanaf 2012 geen recht meer op de arbeidskorting. Er komt in 2013 een nieuwe werkbonus van maximaal € 3.000 voor werkende 62-plussers. De werkbonus sluit qua vormgeving en wetgeving aan bij de huidige arbeidskorting voor ouderen in de loon- en inkomstenbelasting. In verband hiermee worden de opbouwpercentages van de doorwerkbonus in 2012 aangepast en wordt de doorwerkbonus per 1 januari 2013 geheel afgeschaft.
Voor 2013 wordt in de IB een nieuwe spaarfaciliteit ingevoerd voor binnenlands belastingplichtigen die arbeidsinkomen genieten. Vitaliteitssparen stelt deelnemers in staat om fiscaal voordelig te sparen in de vorm van (a) de spaarrekening, (b) de spaarverzekering of (c) het spaarrecht van deelneming, die vergelijkbaar zijn met de spaarvormen onder de huidige levensloopregeling. Bij vitaliteitssparen zijn de stortingen fiscaal aftrekbaar in box I en wordt pas belasting geheven bij de opname van het tegoed. Het (forfaitaire) rendement over het opgebouwde tegoed wordt niet belast in box III. Het maximaal fiscaal gefacilieerd op te bouwen vermogen bedraagt in totaal € 20.000 (bruto). Daarnaast geldt er een jaarlijkse aftrekbare maximuminleg van € 5.000. Anders dan bij de levensloopregeling is de aanwending van een vitaliteitsspaartegoed niet beperkt tot bepaalde doelen en is de opgebouwde voorziening in beginsel vrij opneembaar. Tot en met 61 jaar is er ook geen beperking met betrekking tot het op te nemen bedrag. Vanaf het jaar dat een deelnemer op 1 januari 62 jaar oud is, geldt een beperking van het maximaal jaarlijks op te nemen bedrag van € 10.000.
De levensloopregeling wordt per 2012 afgeschaft. Er komt overgangsrecht dat opgebouwde rechten in de levensloopregeling zoveel mogelijk eerbiedigt. De levensloopregeling wordt vanaf 2012 nog opengehouden voor deelnemers die op 31 december 2011 een positief saldo op hun levensloopregeling hebben staan. Vanaf 2013 blijft de levensloopregeling alleen gelden voor deelnemers die voor 1 januari 2013 de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Deze deelnemers kunnen hun levenslooptegoed in 2013 geruisloos omzetten in vitaliteitssparen. Daarmee vervalt de mogelijkheid aan levensloop deel te nemen. Naast de levensloopregeling kan niet gelijkertijd worden deelgenomen aan vitaliteitssparen.
De spaarloonregeling wordt per 2012 afgeschaft. De opgebouwde rechten worden geëerbiedigd. Het opgebouwde vermogen kan in 2013 in beginsel zonder fiscale gevolgen worden opgenomen, maar de deelnemers die hun tegoed laten staan en zich aan de voorwaarden van de spaarloonregeling houden, kunnen op grond van de overgangsregeling gebruik blijven maken van de vrijstelling voor spaarloon in box III. In dat geval wordt het tegoed jaarlijks gedeeltelijk vrijgegeven. Ook blijven de huidige deblokkeringsmogelijkheden bestaan. In 2016 zal de spaarloonregeling uitgewerkt zijn. Dan zal ook de overgangsbepaling vervallen.
Om scholing extra te stimuleren wordt de drempel voor aftrek van scholingsuitgaven in box I verlaagd naar € 250.
Het kabinet introduceert een nieuwe regeling voor het heffen en vergoeden van rente. De nieuwe regeling sluit aan op de regeling verzuimrente van de Awb en is toegesneden op de systematiek van de belastingheffing. De nieuwe renteregeling heeft zowel een heffings- als een invorderingscomponent. De heffingscomponent van de regeling ziet op de periode tot aan de vaststelling van de betalingsverplichting of het recht op teruggaaf bij een belastingaanslag. Deze component wordt voortaan belastingrente genoemd. De invorderingscomponent, die invorderingsrente blijft heten, heeft betrekking op het feitelijk te laat betalen aan de Belastingdienst van een belastingaanslag en de feitelijke uitbetaling door de Belastingdienst van een belastingteruggaaf. Voor de hoogte van het rentepercentage wordt aangesloten bij de wettelijke rente zoals deze geldt voor niet-handelstransacties.
In de nieuwe renteregeling gaat voor belastingaanslagen in de IB en Vpb die na afloop van het belastingjaar worden vastgesteld, de rente lopen vanaf 1 juli. Als sprake is van een gebroken boekjaar voor de Vpb, loopt de rente pas vanaf de eerste dag van de zevende maand na afloop van het boekjaar.
Onder de nieuwe renteregeling zal de inspecteur met betrekking tot de inkomsten- en vennootschapsbelasting alleen rente vergoeden als de Belastingdienst na indiening van een verzoek of aangifte te lang doet over het opleggen van een aanslag met een uit te betalen bedrag overeenkomstig die aangifte of dat verzoek. Daarbij gaat voor de inspecteur een afdoeningstermijn van 13 weken gelden voor belastingaanslagen inkomsten- en vennootschapsbelasting met een uit te betalen bedrag die direct volgend op de aangifte worden opgelegd. Als de inspecteur die termijn overschrijdt, volgt rentevergoeding vanaf het moment dat de belastingaanslag opgelegd had moeten zijn tot zes weken na de dagtekening van de aanslag. Voor belastingaanslagen met een uit te betalen bedrag die overeenkomstig een verzoek van de belanghebbende worden vastgesteld, geldt een afdoeningstermijn van acht weken. In deze gevallen geldt dat de renteperiode niet eerder kan aanvangen dan zes maanden na afloop van het belastingjaar. Er wordt geen rente vergoed als de belastingaanslag na bezwaar of een gerechtelijke procedure wordt verminderd of vernietigd.
De nieuwe renteregeling wijzigt niet met betrekking tot de door de ontvanger in rekening te brengen rente. Ook onder het nieuwe renteregime wordt nog steeds rente in rekening gebracht over het op de vervaldag nog openstaande bedrag van de belastingaanslag tot de dag van betaling.
In de nieuwe renteregeling vergoedt de ontvanger geen rente over een terugbetaling die het gevolg is van een herziening of vermindering van een reeds betaalde belastingaanslag. De belanghebbende die een geschil heeft met de inspecteur over de hoogte van zijn belastingaanslag heeft een keuze: (1) hij kan het bedrag van de belastingaanslag betalen vooruitlopend op de uitkomst van een herzieningsverzoek of bezwaarprocedure of (2) hij kan om uitstel van betaling vragen. Als hij uitstel van betaling heeft gekregen en hij wordt in de procedure in het gelijk gesteld dan heeft hij geen economisch nadeel geleden. De belanghebbende die er voor kiest vooruitlopend op de procedure de belastingaanslag te betalen, krijgt als hij in het gelijk wordt gesteld, de te veel betaalde belasting terug maar die gaat niet langer meer gepaard met een rentevergoeding. Als de belanghebbende ondanks een verzoek daartoe geen uitstel van betaling heeft gekregen en in de procedure in het gelijk wordt gesteld, zal wel rente worden vergoed. Tot slot is nieuw dat de ontvanger rente zal vergoeden als hij te lang doet over een uitbetaling van een belastingteruggaaf.
De aanpassingen van de schijven en tarieven in de IB leiden tot de volgende tabel:
OVERIGE FISCALE MAATREGELEN 2012
Aan de bestaande partnercriteria wordt een nieuw criterium toegevoegd op grond waarvan ongehuwd samenwonenden ook als partners worden aangemerkt als zij samen met een minderjarig kind van een van beiden op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven. Hiermee wordt voorkomen dat ongehuwd samenwonenden die kinderen in hun gezin hebben uit een andere relatie, de zogenoemde "samengestelde gezinnen", een groot voordeel genieten ten opzichte van andere gezinnen met kinderen als niet aan één van de bestaande partnercriteria wordt voldaan. Er wordt een tegenbewijsregeling opgenomen voor de situatie waarin sprake is van (onder)huur.
Bij in algemene gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten tot wiens huwelijksgemeenschap een vermogensbestanddeel behoort dat ter beschikking wordt gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang (a.b.) heeft, wordt dit vermogensbestanddeel vanaf 1 januari 2011 aan beide echtgenoten voor de helft toegerekend. Dat vermogensbestanddeel kan geruisloos worden doorgeschoven als één van beide echtgenoten de terbeschikkingstelling (tbs) na een scheiding voortzet. In de Wet IB 2001 wordt expliciet vastgelegd dat de tbs zonder tussentijdse afrekening kan worden voortgezet als het vermogensbestanddeel wordt toegerekend aan een echtgenoot die een a.b. heeft in de vennootschap waaraan het vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld. De voortzettende ex-echtgenoot is gebonden aan de boekwaarde die zijn ex-echtgenoot direct voorafgaande aan de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan zijn deel van het vermogensbestanddeel toekende. Ook fiscale reserves en voorzieningen mogen geruisloos worden doorgeschoven. Belastingplichtigen kunnen er ook voor kiezen om bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap toch af te rekenen. De regelingen inzake de omzetting van afgewaardeerde schuldvorderingen zijn ook van toepassing als een door de ex-echtgenoot afgewaardeerde ter beschikking gestelde schuldvordering aan de belastingplichtige wordt toebedeeld.
Duurzaam verpachte woningen mogen in box III en voor de schenk- en erfbelasting met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 worden gewaardeerd op een lagere waarde dan de WOZ-waarde. Voor de waardering wordt voortaan aangesloten bij de reeds bestaande tabel ten behoeve van de waardering van verhuurde woningen die onder de huurbescherming vallen (artikel 17a Uitvoeringsbesluit IB 2001 en artikel 10a Uitvoeringsbesluit SW). Als voorwaarde voor de afwijkende waardering geldt dat de pachtovereenkomst voor ten minste 12 jaar moet zijn aangegaan.
Uitgaven voor genees- en heelkundige hulp zijn op basis van vaste jurisprudentie alleen aftrekbaar als de behandeling is uitgevoerd door een arts of op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus is uitgevoerd. Deze eisen worden gecodificeerd. Voor bepaalde paramedici geldt op basis van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) directe toegankelijkheid en is geen verwijzing nodig van een arts. Voor paramedici waarvoor directe toegankelijkheid geldt, wordt ook voor de aftrekbaarheid van de kosten van behandelingen door die paramedici niet meer de eis gesteld van doorverwijzing door een arts. Het gaat om personen die bevoegd zijn tot het voeren van de titel fysiotherapeut, diëtist, ergotherapeut, logopedist, oefentherapeut, orthoptist, podotherapeut, mondhygiënist of huidtherapeut.
5.
WET UITWERKING AUTOBRIEF
Bijtelling LB/IB afhankelijk van CO
2-uitstoot 2011-2015 (in gr/km): Defiscalisering vorderingen en schulden krachtens erfrecht Vorderingen en schulden en bloot eigendom/vruchtgebruiksituaties die voortvloeien uit het wettelijk erfrecht worden in de Wet IB 2001 fiscaal genegeerd. Deze defiscalisering wordt uitgebreid naar gevallen waarbij weliswaar niet het wettelijk erfrecht is gevolgd, maar waar op grond van een testament of van een verdeling van de nalatenschap een situatie ontstaat die materieel voldoende vergelijkbaar is met het wettelijk erfrecht. Daaronder vallen: (1) (partiële) verdelingen van een nalatenschap, (2) (keuze)legaten tegen inbreng van de waarde waarbij de inbreng wordt schuldig gebleven, (3) bij testament ontstane onderbedelingsvorderingen van een kind en (4) legitieme vorderingen van een onterfd kind. De defiscalisering blijft beperkt tot vorderingen/schulden of genotsrechten in gevallen waarin de erflater goederen nalaat aan zijn langstlevende partner, en kinderen van de erflater of van die langstlevende partner enkel een niet opeisbare vordering op die partner of een bloot eigendom krijgen.
De wet- en regelgeving met betrekking tot het gegevensverkeer tussen inhoudingsplichtigen en de Belastingdienst wordt vereenvoudigd:
De toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs voor de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) wordt verduidelijkt in de situatie dat de inhoudingsplichtige niet tevens het erkende leerbedrijf is waar de bbl-deelnemer zijn praktijkervaring opdoet. In dat geval kan de inhoudingsplichtige alleen gebruik maken van de afdrachtvermindering onderwijs voor bbl als er een overeenkomst van opdracht bestaat tussen de inhoudingsplichtige en het erkende leerbedrijf waarin onder meer is vastgelegd dat het voordeel van de afdrachtvermindering toekomt aan het leerbedrijf.
C. Wet vennootschapsbelasting
De vrijstelling voor zorginstellingen wordt gemoderniseerd. Er wordt een inhoudelijke wijziging van de regelgeving voorbereid die op een later moment in werking zal treden. De modernisering voor 2012 blijft beperkt tot de aanpassing van enkele begrippen en een verduidelijking in de wettekst met betrekking tot de zorg voor bejaarden. De toepassing van de vrijstelling terzake van het aanbieden van woonruimte aan bejaarden wordt teruggebracht tot de verzorging van ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. Het enkel verhuren van zorgvastgoed is onvoldoende om voor de vrijstelling in aanmerking te komen.
De regeling van de aftrek van fictieve kosten van vrijwilligers voor lichamen waarbij een algemeen maatschappelijk of sociaal belang op de voorgrond staat, wordt aangepast. Voor de begrippen "behartigen van een algemeen maatschappelijk of sociaal belang" wordt voortaan aangesloten bij het begrip ANBI, zoals dat met ingang van 1 januari 2012 op grond van de Geefwet in de AWR wordt opgenomen. De voorwaarde van het sociaal belang wordt in die zin versoepeld dat geen kwantitatieve eis meer wordt gesteld aan de mate waarin het sociaal belang behartigd moet worden. Ook wordt voorgesteld om de bewijslast van "(ernstige) concurrentieverstoring" niet meer bij de inspecteur te leggen, maar dit zo nodig te regelen bij ministeriële regeling.
Voor de toepassing van de faciliteit voor fondswervende instellingen worden de inzet van vrijwilligers en de kenbaarheid van de fondswervende activiteiten uitdrukkelijk als voorwaarden in de Wet Vpb opgenomen. Hierbij speelt een tweetal factoren een belangrijke rol: (a) de kenbaarheid ten aanzien van de bestemming van de opbrengst - voor ten minste 90% voor het goede doel - en (b) de vrijgevigheid bij de afnemers of kopers van de diensten of producten. De activiteiten moeten bovendien ten minste in belangrijke mate met behulp van vrijwilligers worden verricht. De opbrengst van de fondswervende activiteiten moet (nagenoeg) uitsluitend worden uitgekeerd aan een ANBI ingevolge de statuten of een separate overeenkomst. Een fondswervende instelling wordt voor het deel van de winst dat niet wordt uitgekeerd, maar dat ter beschikking blijft van de eigen onderneming, in de Vpb-heffing betrokken.
Verzekeringsmaatschappijen buiten de EU worden in bepaalde gevallen opnieuw verplicht om een fiscaal vertegenwoordiger in Nederland aan te stellen. Als zij zich daar niet aan houden kan de assurantiebelasting, net zoals vóór 2011, geïnd worden bij de verzekeringnemer.
Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid van een kwartaallisting door ondernemers die intracommunautaire goederen leveren en hanteert daarbij een grens van € 100.000. De grens voor de kwartaallisting wordt niet langer in de Wet OB opgenomen, maar voortaan bij ministeriële regeling vastgesteld.
Bij toepassing van een vereenvoudigde ABC-levering wordt voortaan afgezien van de heffing van btw terzake van de nummerverwerving. Als de vereenvoudigde ABC-regeling van toepassing is en de Nederlandse ondernemer onder zijn Nederlandse btw-identificatienummer een intracommunautaire verwerving in een andere lidstaat verricht, is geen sprake van een nummerverwerving in Nederland.
De (vermindering of teruggaaf van) BPM voor binnenlandse gebruikte auto's moet voortaan worden vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Voor binnenlandse situaties kan de BPM niet meer worden berekend aan de hand van een individuele waardepaling van de betreffende auto.
Ondernemers die regelmatig voor een ander om een kenteken vragen, kunnen op verzoek in aanmerking komen voor een vergunning om de BPM achteraf per tijdvak te voldoen. Deze vereenvoudigde aangifteregeling leent zich niet zonder meer voor een individuele waardering van een geïmporteerde gebruikte auto. In de Uitvoeringsregeling BPM zal worden opgenomen dat de inspecteur aan de vergunning nadere voorwaarden en beperkingen kan stellen. De vergunning kan daarbij voor gebruikte auto's beperkt worden tot auto's waarvoor aangifte wordt gedaan met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel.
In de Wet BPM wordt expliciet vastgelegd dat bij de BPM-heffing voor een omgebouwd motorrijtuig rekening wordt gehouden met de daarvoor eerder betaalde BPM. De eerder betaalde BPM wordt zodanig verrekend, dat per saldo alleen BPM wordt geheven voorzover die na ombouw hoger is dan de BPM zoals die voor dat motorrijtuig gold vóór ombouw. Het te verrekenen bedrag wordt gemaximaliseerd tot het bedrag van de verschuldigde BPM. Er wordt geen teruggaaf verleend als het bij het motorrijtuig behorende belastingbedrag vóór de ombouw meer bedroeg dan na de ombouw. De BPM terzake van de ombouw van een al in Nederland geregistreerd gebruikt motorrijtuig moet worden berekend met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel.
In de uitvoeringssfeer is reeds goedgekeurd, dat voor een in andere EU-lidstaat of EER-staat geregistreerde leaseauto onder voorwaarden al direct bij de aangifte BPM de teruggaaf bij export wordt verrekend en per saldo alleen de BPM hoeft te worden betaald die betrekking heeft op de gebruiksperiode in Nederland. Deze goedkeuring wordt in de Wet BPM opgenomen. De maximale overeengekomen huurperiode waarbij de regeling kan worden toegepast, is vier jaar. Bij een wijziging van de overeengekomen huurperiode, of als niet langer aan de voorwaarden voor verrekening wordt voldaan, wordt de verrekende teruggaaf herzien.
Voor autobussen wordt MRB niet langer geheven terzake van het rijden op de weg, maar wordt de MRB voortaan - net als bij overige motorrijtuigen - geheven terzake van het houderschap. In verband hiermee worden de huidige MRB-tarieven voor autobussen - na de indexatie per 1 januari 2012 - met 11% verlaagd en wordt de minimale schorsingsperiode waarbij geen MRB is verschuldigd op één maand gesteld.
Wanneer in de loop van het individuele tijdvak de tenaamstelling van een kenteken wordt gewijzigd of het kenteken wordt geschorst of ontschorst, is door de houder over een deel van het tijdvak te veel of nog geen MRB betaald. De huidige minimumdrempel van € 5 bij de teruggaaf van MRB voor een dergelijk kort tijdvak gaat ook gelden voor eventueel te heffen MRB-bedragen voor een kort tijdvak.
Tariefwijzigingen gelden met ingang van het eerste (driemaands)tijdvak dat aanvangt na de inwerkingtreding van de wijziging. Wanneer een belastingplichtige voor een jaar vooruit heeft betaald, wordt voor nog niet aangevangen tijdvakken een correctie toegepast. De huidige minimumdrempel van € 10 voor een teruggaaf van MRB gaat ook gelden voor eventueel te heffen MRB-bedragen bij tariefwijzigingen.
De vrijstelling respectievelijk de teruggaaf van accijns voor motorbrandstoffen ten behoeve van luchtvaartuigen, anders dan voor plezierluchtvaart, geldt met ingang van 1 januari 2012 ook weer voor binnenlandse vluchten.
De soepele herziening van voorlopige aanslagen (VA's) in de inkomstenbelasting wordt uitgebreid naar VA's vennootschapsbelasting. Het herzieningsverzoek wordt door de inspecteur gehonoreerd voorzover de VA waarop het verzoek betrekking heeft op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van de VA's en voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Tegen de beslissing van de inspecteur tot (gedeeltelijke) afwijzing van een herzieningsverzoek, is bezwaar mogelijk. De staatssecretaris streeft ernaar om in het Belastingplan 2013 de herzieningsprocedure op te nemen in de AWR en deze dan te laten gelden voor alle aanslagbelastingen, maar in elk geval voor definitieve aanslagen inkomstenbelasting.
Voortaan kunnen vergrijpboeten na een verzuimboete worden opgelegd als sprake is van feiten en omstandigheden die later bekend zijn geworden (nieuwe bezwaren). De regeling gaat alleen gelden voor achteraf gebleken ontoereikende verzuimboeten. Als bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan. Deze bezwaren zijn nieuw als zij bekend worden na het opleggen van de verzuimboete of ten tijde van het opleggen van de verzuimboete niet zijn onderzocht. In totaal wordt geen hogere boete opgelegd dan zou zijn opgelegd als alle relevante feiten op een eerder moment bekend waren geweest en op dat moment al een vergrijpboete was opgelegd. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de later alsnog opgelegde vergrijpboete. De regeling zal naar verwachting met name worden toegepast bij de boeten wegens het (gedeeltelijk) niet of niet-tijdig betalen van een aangiftebelasting. In andere gevallen wijkt de delictsomschrijving bij verzuim- en vergrijpboeten af, zodat minder snel sprake is van hetzelfde feit, of kent de wet geen vergrijpboete voor hetzelfde feit. Voor deze maatregel geldt geen overgangsrecht. Degene die vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een vergrijp heeft begaan, waarvoor op grond van de huidige wetgeving een vergrijpboete kan worden opgelegd, en een verzuimboete opgelegd heeft gekregen, kan straks alsnog een vergrijpboete opgelegd krijgen.
De belastingplichtige wordt verplicht uit eigen beweging onjuistheden of onvolledigheden aan de inspecteur te melden zodra dat hem bekend is of wordt. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan de volgende vier gevallen: de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, de verklaring "geen privégebruik auto", zogenoemde Edelweissituaties (zie ook hierna onder 4.) en suppleties van BTW. In plaats van het treffen van een afzonderlijke regeling voor elk van deze gevallen wordt in artikel 10a van de AWR een algemene delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan de belastingplichtige of inhoudingsplichtige in bepaalde gevallen kan worden verplicht uit eigen beweging de inspecteur van onjuistheden of onvolledigheden mededeling te doen zodra hij met die onjuistheden of onvolledigheden bekend is of wordt, en wanneer en hoe de belastingplichtige deze mededeling moet doen. Het niet-nakomen van de informatieverplichting of van de voorschriften kan worden beboet met een vergrijpboete van maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet-nakomen van de informatieverplichting niet is of niet zou zijn geheven.
Handhavingsacties op basis van voertuigherkenning of automatische nummerplaatherkenning worden uitgebreid tot alle belastingen. Voorwaarde is dat sprake is van onbetaald gebleven belastingaanslagen waarvoor inmiddels een dwangbevel is betekend waarop vervolgens geen betaling heeft plaatsgevonden.
Teruggaven inkomstenbelasting, BTW, premies volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet en toeslagen worden voortaan alleen nog uitbetaald op een bankrekening die op naam staat van de belanghebbende. Voor alle uitbetalingen - met uitzondering van teruggaven btw - moet éénzelfde bankrekeningnummer worden gebruikt.
De uitstelfaciliteit voor erfbelasting verschuldigd bij de verkrijging van de blote eigendom van een eigen woning wordt verfijnd en verruimd. De middelentoets geldt voortaan voor degene die de beschikking heeft over de goederen uit de nalatenschap: de langstlevende ouder, en de eigen woning wordt volledig uitgezonderd van de vermogenstoets.
De regeling voor conserverende aanslagen terzake van lijfrente- en pensioenaanspraken bij emigratie wordt op twee punten in overeenstemming gebracht met een arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011:
Het aantal opcenten op de MRB dat provincies mogen heffen, wordt gemaximeerd op 105 en de datum waarop provincies opcenten kunnen wijzigen, wordt verlegd van 1 april naar 1 januari van enig jaar.
Er is een aantal maatregelen voor het op 1 januari 2011 in werking getreden fiscale stelsel voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden) voorgesteld. Het betreft onder meer het volgende:
Een deel van de maatregelen zal via een beleidsbesluit al op 1 oktober 2011 in werking treden.
Met ingang van 2012 zullen de EIA/MIA/VAMIL-meldingen volledig digitaal plaatsvinden. Daarmee wordt de gehele aanvraag van deze regelingen ondergebracht in het E-loket van het AgentschapNL.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
