|
Schotvaardig november 1999 BELASTINGHERZIENING 2001 Met ingang van het jaar 2001 zal er een ingrijpende belastingherziening plaatsvinden. Een onderdeel hieruit is de inkomstenbelasting 2001. Het wetsvoorstel daartoe werd in september 1999 aangeboden aan de Tweede Kamer. Aanvullende wetswijzigingen en het overgangs- en aanpassingsrecht zullen op een later tijdstip worden gepresenteerd. De doelstelling van de belastingherziening zijn o.a. verlaging van de lastdruk op arbeid, vergroening van de belastingen, vereenvoudiging van het belastingstelsel, bevorderen van de werkgelegenheid en verbreding en versterking van de belastinggrondslag. WETSVOORSTEL INKOMSTENBELASTING 2001 Heffingskorting In het nieuwe belastingstelsel wordt de belastingvrije som omgezet in een heffingskorting. Iedereen, ook wie niet over een inkomen beschikt, heeft recht op de algemene heffingskorting van ƒ 3.321 (Eur 1.507). Daarnaast zijn er, afhankelijk van de persoonlijke situatie, aanvullende kortingen. De heffingskorting wordt direct van de te betalen belasting afgetrokken. Is er sprake van een partner zonder inkomen, dan wordt deze korting onder voorwaarden uitbetaald. Individuele belastingheffing In het huidige stelsel moeten gehuwden bepaalde inkomsten en aftrekposten toerekenen aan de echtgenoot met het hoogste inkomen. In het nieuwe belastingstelsel is iedereen belast voor eigen inkomen. Voor bepaalde gemeenschappelijke inkomenbestanddelen en aftrekposten komt er een keuzemogelijkheid. De verdeling is vrij onder de voorwaarden dat het totale bedrag wordt aangegeven. De keuzemogelijkheid geldt onder meer voor: - inkomsten uit eigen woning; - voordelen uit sparen en beleggen; - uitgaven voor kinderopvang; - giften en buitengewone lasten. Boxensysteem In het nieuwe belastingstelsel gaat men uit van drie belastbare inkomens met een eigen tarief, allen berekend in een eigen "box". BOX 1 Winst uit onderneming Het ondernemersbegrip wordt beperkt tot personen voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven. Daarnaast moet de ondernemer rechtstreeks betrokken zijn (verbonden zijn), bij verbintenissen die de ondernemer aangaan. Het fiscale ondernemingsbegrip strookte volgens de wetgever niet meer met de economische werkelijkheid. In het nieuwe belastingstelsel word uitgegaan van het gesubjectiveerd ondernemersbegrip. Een ondernemer kan dus niet meer dan èèn onderneming hebben. Het meervoudig gebruik van ondernemersfaciliteiten wordt zo aan banden gelegd. Inkomsten uit (vroegere) arbeid Het arbeidskostenforfait is in het nieuwe belastingstelsel omgedoopt in "algemene aftrek" en teruggebracht tot het niveau van 1990. Dat wil zeggen dat de forfaitaire aftrek verminderd wordt van 12% naar 4%. Verdere aftrek van arbeidskosten is in de nieuwe opzet niet langer mogelijk. De belastbare inkomsten uit eigen woning De woning als hoofdverblijf: de eigen woning valt binnen de eerste box mits de woning tot hoofdverblijf dient. De tweede woning valt in box 3. Voor de eigen woning als hoofdverblijf wordt de bestaande regeling van het huurwaardeforfait (eigenwoningforfait) ongewijzigd voorgezet. Winst of verlies behaald bij verkoop van de eigen woning zal, net als thans het geval is, niet tot het belastbaar inkomen worden gerekend. Uiteraard zal de waarde van de eigen woning (na aftrek van de daaraan toe te rekenen schulden) niet meetellen voor de bepaling van de omvang van het vermogen in box 3.
BOX 2 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang Sinds 1 januari 1997 is de aanmerkelijk belangregeling ingrijpend gewijzigd. Daardoor zien we in het nieuwe belastingplan ook niet veel veranderingen. Maar de veranderingen die in het belastingplan zijn opgenomen hebben grote gevolgen. Zo wordt onder het voorgestelde systeem het door de DGA aan de B.V. verhuurde bedrijfspand in de aanmerkelijk belangheffing betrokken. Bovendien vallen de waardemutaties van dit vermogensbestanddeel in box 2. Tevens gaat het aanmerkelijk belangtarief van 25% naar 30%. Door deze tariefswijziging verandert ook de gecombineerde druk van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting ( waarschijnlijk gaat het vennootschapsbelastingtarief over de eerste ƒ 50.000 van 35% naar 30%). Een nadeel van het belastingplan is dat verlies uit aanmerkelijk belang niet verrekenbaar is buiten box 2. BOX 3 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Alle vermogensbestanddelen niet behorend tot box 1 of 2 vallen in box 3, behoudens vermogensbestanddelen die geen rendement plegen op te leveren zoals boten en auto's. Box 3 zal vooral bestaan uit bank- en spaartegoeden, effecten, verhuurde onroerende zaken etc. Het werkelijk behaalde rendement is niet meer van belang. Er wordt over de waarde van de bezittingen, verminderd met de in aanmerking komende schulden, jaarlijks 4% forfaitair rendement tegen belastingtarief van 30% toegepast. Voor iedere belastingplichtige geldt een heffingsvrij vermogen van ƒ 37.463 (Eur 17.000) eventueel verhoogd met de ouderentoeslag. Wij houden ons niet aansprakelijk voor eventuele onjuiste berichtgeving op deze pagina. Tevens wijzen wij u erop dat de aangeboden berichtgeving kan zijn achterhaald door latere wijzigingen.
|